Vrijdag 18 maart 2016

“Maar zo heb ik het helemaal niet bedoeld!”

Zo, weer een lange schooldag achter de rug. Aan dat laatste uur aardrijkskunde leek geen eind te komen! De computer is snel opgestart en natuurlijk ben ik automatisch ingelogd op Facebook. Even kijken of iemand vandaag nog iets leuks heeft gepost. Haha, die dikke die bij wiskunde altijd vooraan zit, gaat een taart bakken. Alsof dat varken nog meer vet nodig heeft. Wacht, dat is een idee! Ik photoshop haar hoofd op dat van een varken. Dat zal een hoop likes opleveren!

Cyberpesten

Niets is zo makkelijk als het beledigen van iemand anders vanachter de computer. Mensen gaan vaak een stap verder dan ze zouden doen als ze iemand recht in de ogen zouden kijken. Logisch, je plaatst het bericht en bent het tien minuten later weer vergeten. Het slachtoffer blijft er meestal een stuk langer mee zitten. Omdat het zo makkelijk is, is het niet voor iedereen duidelijk dat het uitschelden van iemand op straat precies hetzelfde is als het uitschelden op het internet. Gebeurt het in de ‘echte’ wereld, dan noemen we het pesten. Gebeurt het online, dan heet het cyberpesten.

Cijfers

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is gebleken dat bijna 8% van de jongeren wel eens gepest wordt op het internet. Bijna tweederde van deze groep kent de dader persoonlijk. Hoog op het lijstje met vormen van cyberpesten staan chantage, bedreiging met geweld en stalken. Maar er is één vorm die het meest voorkomt: laster.

Laster

Laster is strafbaar gesteld in artikel 262 van het Wetboek van Strafrecht. Er is sprake van laster als is voldaan aan vijf vereisten:

1. Iemands eer of goede naam moet worden aangerand. Dit doe je door dingen te zeggen die niet passen bij het respect dat iemand verdient of die zijn reputatie beschadigen.

2. Dit moet gebeuren door ‘telastlegging van een bepaald feit’. Dus je moet wat zeggen over iets dat iemand heeft gedaan. Je moet een ander ergens van beschuldigen.

3. Dit moet ‘opzettelijk’ gebeuren. Als je iets hardop zegt, is het natuurlijk vrij duidelijk dat je het met opzet doet. Maar ook als je iets hebt geschreven, kan dit snel duidelijk zijn.

4. Dit moet allemaal gebeuren ‘met het kennelijke doel aan het feit ruchtbaarheid te geven’. Dit houdt in dat je ook echt de bedoeling moet hebben dat andere mensen het horen. Op internet is dit niet lastig te bewijzen. Als je bijvoorbeeld een bericht op jouw Facebook pagina plaatst, zou het een beetje vreemd zijn als je niet wilt dat andere mensen het bericht lezen.

5. Tot slot moet ‘hij die het misdrijf pleegt, weten dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is’. Dus je moet weten dat wat je over iemand anders zegt niet waar is. Dit is vaak moeilijk te bewijzen. Je kunt altijd zeggen: “Ja, dat heb ik ergens gehoord en ik dacht dat het waar was”.

Let op wat je online zegt

Vaak hoor je dat je alles mag zeggen, want: “We hebben toch vrijheid van meningsuiting hier in Nederland?” Dat klopt, maar aan die vrijheid zitten wel grenzen. Het beledigen van iemand, puur om diegene te kwetsen, mag niet. Bij laster is dat altijd het geval, omdat degene die de dingen zegt, weet dat ze niet waar zijn. Wel zullen jongeren meestal minder snel zwaar gestraft worden dan volwassenen. Jongeren overdrijven sneller en gebruiken groffer taalgebruik. Maar pas op! Laster is een misdrijf en wat jij ziet als een grappige opmerking, kan door de rechter heel anders worden gezien. De opmerking “ik heb het helemaal niet zo bedoeld” gaat je dan niet redden.

Bronnen:

Artikelen 261 en 262 van het Wetboek van Strafrecht

Centraal Bureau voor de Statistiek

 

 

(86)